Scheepsjager Auke Winters

Met ’s lands enige scheepsjager op zoek naar de jaagpaden van weleer

‘Als je het Oranjekanaal volgt, kom je alle mooie plekjes vanzelf tegen!’

Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan – het had zijn motto kunnen zijn! Want bij gebrek aan literatuur of leermeesters had Auke geen andere keuze dan zichzelf en zijn paarden het aloude scheepsjagersvak volledig op eigen kracht bij te brengen. Naober ging samen met ’s lands enige scheepsjager op zoek naar de sporen in het landschap die nog doen herinneren aan  het eeuwenoude ambacht.

We beginnen onze reis terug in de tijd vanmiddag in Oranjedorp, een dorpje vlak achter Emmen. Vanaf hier zullen we het Oranjekanaal en daarmee het stokoude jaagpad gaan volgen.

Waar het pad op veel plekken nog maar met moeite zichtbaar is, is het hier nog heel duidelijk aanwezig.

“Op deze plek kreeg ik in 2000 de scheepsjagerspenning uitgereikt,” vertelt Auke Winters (59). “Door de provincie Groningen. Op initiatief van de Landelijke Vereniging tot Behoud van het Historische Bedrijfsvaartuig.”

Hiermee schreef de olijke Drent geschiedenis en werd hij de enige officiële scheepsjager van Nederland. Waren er zo’n 100 jaar geleden nog zeker 1500 scheepsjagers in ons land actief, vandaag is hij de enige. Een eretitel.

Van ambacht naar demonstratieberoep

De moderne scheepsjager hoeft natuurlijk niet meer van het ambacht te leven. Voor Auke, in het dagelijks leven facilitair medewerker bij een bedrijf in levensmiddelen, is het scheepsjagen een demonstratieberoep geworden. Hij jaagt nog maar een keer of 4 per jaar. En alleen bij mooi weer.

Dat was vroeger wel anders. Eeuwenlang waren scheepsjagers een vanzelfsprekendheid. Voordat er treinen en auto’s reden, verliep vrijwel alle transport van goederen met behulp van paarden en schepen. Ook veel mensen maakten voor hun reizen gebruik van de trekschuit.

“Scheepsjagen gebeurde in alle delen van het land. Maar in het westen ging het vooral om personenvervoer. Dit was achterland. Hier kwamen weinigen naartoe. In deze regio waren overigens ook veel gelegenheidsjagers. Die deden het erbij. In de tijd dat er veel bieten en aardappelen afgevoerd moesten worden.”

Als jager moest je letterlijk wachten, tot je “vracht kon maken”, zoals Auke het noemt. Wachten op het moment dat een schipper met zijn schuit vol vracht bij gebrek aan wind stil was komen te liggen. Die vracht, veelal bestaand uit graan, turf, aardappelen, mest of bieten, moest op een zeker moment ergens afgeleverd worden. De schipper had dus haast. “Die had dan de keus tussen zelf gaan bomen, het schip trekken, of, als je geld had, een scheepsjager inhuren.”

Een lastig kanaal

We vervolgen onze kleine trip langs het Oranjekanaal. Auke wijst me op een inham. “Een zwaaikom. Daar konden de boten keren.” Ook zijn hier en daar nog aanlegsteigers aanwezig.

Wat verder opvalt, zijn de vele kronkels en bochten die het kanaal duidelijk onderscheiden van bijvoorbeeld de kaarsrechte Hoogeveense Vaart.

“Volgens de overlevering is er bij het graven van het Oranjekanaal rekening gehouden met de windrichting. Het kanaal is zo gegraven dat de schippers zoveel mogelijk profijt hadden van de wind,” aldus Auke.  

Maar al die bochten maakten het er voor de scheepsjagers niet bepaald makkelijker op. Dat geldt niet in de minste zin voor Auke, die het spreekwoordelijke wiel geheel zelf heeft moeten uitvinden.

Al bijna 30 jaar bekwaamt de Smildenaar zich intussen in de kunst van het scheepsjagen. Geheel op eigen kracht, want er was geen enkele informatie voorhanden. Maar onze jager is niet vies van een beetje avontuur. “Ik vind het mooi om bezig te zijn met iets dat niemand meer kent. Om het zelf uit te vinden.”

Zijn passie voor het ambacht begon in de winter van ’89, toen hij door zijn zwager, lid van de Vereniging tot Behoud van Monumentale Schepen, gevraagd werd of hij wellicht iemand wist voor een demonstratie scheepsjagen. “Ja, dat ben ik,” had hij brutaalweg geantwoord.

De goedlachse Auke besloot zijn Haflingermerrie Inge, met wie hij reeds aangespannen reed, te gaan beleren als jaagpaard. Maar dat bleek makkelijker gezegd dan gedaan.

“Er was geen enkele informatie voorhanden. Ik heb toen geprobeerd de situatie te imiteren door Inge een slee te laten trekken aan een touw van 25 meter lang, maar dat was ook niet echt wat.”

Op de dag van de demonstratie won hij op de valreep nog wat informatie in bij een paar oude mannetjes aan de kant, maar meer voorbereiding dan dat kenden jager en paard niet.

Desondanks werd de demonstratie een groot succes. Inge deed het fantastisch en daarmee werd Auke de eerste scheepsjager die Nederland sinds lange tijd gehad had.

Terug naar het Oranjekanaal. Want niet alleen de bochten maken het kanaal een lastig werkterrein voor de jager.

“Zie je die hoge wallen?”, wijst Auke. “Die maken het moeilijk. Dat ervaarde ik pas toen ik hier zelf ging jagen. Het paard is hier onrustig, omdat het weinig kan zien van de omgeving. En een paard is een vluchtdier. Ik voel het zelf ook een beetje. Ik houd niet van bergen.”

Kennis en kunde van de scheepsjager

Een scheepsjager moest dus goed weten wat hij deed. Scheepsjager was je niet zomaar.

Auke: “Een goede scheepsjager had om te beginnen een bepaalde onderdanigheid naar de schipper. Hij dacht mee en probeerde het de schipper zo makkelijk mogelijk te maken. Bijvoorbeeld door net voor de brug of sluis even wat meer gang te maken; de schipper hoefde dan niet te bomen.”

Veel jagers verzamelden zich rond bruggen en sluizen, waar zodoende ook vandaag de dag nog veel middenstand te vinden is.

“Dat was niet voor niets,” zegt Auke “Want daar ligt de boot namelijk al in het midden van het kanaal. Dat is een groot voordeel bij het aanzetten, want het kost veel minder paardenkracht en verkleint het risico dat de lijnen breken.”

Een ander foefje dat de jagers gebruikten, was het leeglopen van de sluis; “De kracht van het water gaf het schip meteen een mooi zetje.”

Het verantwoord jagen van een volgeladen schip vraagt dus nogal wat creativiteit. En het doet een groot beroep op de vertrouwensband tussen mens en paard.

Auke schroomt niet om zijn huidige jaagpaard Adinda (21), “het beste jaagpaard ter wereld” te noemen. Haar opvolgster zal naar alle waarschijnlijkheid zijn jonge Fjordenmerrie Ourea worden. “Maar ik moet eerst kijken hoe ze zich ontwikkelt.”

Een voorkeur voor merrie of ruin heeft Auke niet. “Ik wil een uitgebalanceerd en werkwillig karakter, een bepaald temperament dat zich uit in doorzettingsvermogen,” omschrijft Auke het ideale karakter van zijn jaagpaarden. “Het paard moet willen werken vanuit vertrouwen, niet op vluchtgedrag vanuit angst.”

Scheepsjagers gebruikten trouwens bij voorkeur wat kleinere paarden.  

“Grote paarden konden de typerende korte loop voor het schip uit niet goed aan en zouden te snel slijten, omdat ze beneden hun vermogen moesten lopen,” legt Auke uit. “Die korte loop is vooral nodig bij het aanzetten van het schip, om het over het dode punt heen te trekken. Op een gegeven moment loopt het wel. Alleen voor het personenvervoer per trekschuit in het westen van het land werden wel grote paarden gebruikt. Dat stond op tijd. En grote paarden waren nou eenmaal sneller.”

Vanwege het economisch belang werden jaagpaden vroeger goed onderhouden. Maar vandaag de dag komen jager en paard onderweg de gekste hindernissen tegen. Denk aan lantaarnpalen, bomen en overhangende struiken, waar Adinda op de een of andere manier omheen zal moeten. En waar een jaagpad vroeger een soort aangestampte geul naast het kanaal was, is het nu berm, klinkerweg of zelfs asfalt. Ook de jaaglijn is dan weer hoger dan weer lager aan het schip bevestigd, om Adinda steeds optimaal te laten trekken.

Stil in de haven

We reizen verder tot bij Schoonoord, Auke’s geboorteplaats. Het oude jaagpad is hier in ere hersteld, om de geschiedenis levend te houden. Trots wijst Auke me op het bord aan de oever, waar hij met naam en toenaam op genoemd wordt.

Het is hoog tijd voor een bak koffie. We stappen binnen bij Café de Haven, dat zich, zoals de naam doet vermoeden, naast de oude haven bevindt, vlakbij de brug.

De eigenaresse vertelt ons dat het pand en destijds de bijbehorende winkel in 1854 gesticht zijn door de toenmalige baas van de Kanaalmaatschappij, de maatschappij die verantwoordelijk was voor het graven van het Oranjekanaal.

We mijmeren gezamenlijk over hoe het ooit was; op plekken als deze zullen de jagers samen hebben geklonterd, wachtend en hopend op werk. Onder invloed van de nodige alcohol waren onderlinge vechtpartijtjes tussen de jagers over de jagerstarieven onvermijdelijk.  

De penning en de oorkonde werden dan ook niet zonder reden ingevoerd. “Die waren als het ware een verklaring voor goed gedrag.”

Jager en reporter houden het vandaag wijselijk bij koffie. Na een korte stop vervolgen we onze tocht verder langs het kanaal.

Even lijkt het of er bij Zwiggelte en Hoogersmilde waarachtig schepen in het water liggen, wanneer een mast en een vlag boven de sluis uitsteken. Maar schijn bedriegt. Het zijn slechts monumentjes die herinneren aan  de scheepvaart zoals die ooit was. Net als de typische brugwachtershuisjes, met hun raampjes aan de zijkant; “de uitkijk, zodat de brugwachter een schip kon zien aankomen”.

Want het Oranjekanaal is helaas grotendeels ontoegankelijk gemaakt voor de scheepsvaart. De belangrijkste functie ligt tegenwoordig vooral op het vlak van de waterhuishouding.

Letterlijk doodzonde, vindt Auke. “Daarmee is de levendigheid ook weg.”

Zuinig op ons erfgoed

Langzaam naderen we de Friese grens. Het landschap wordt steeds platter en het Oranjekanaal gaat over in de Opsterlandse Compagnonsvaart.

Stiekem maken we een klein uitstapje in Friesland en houden stil in de buurt van Gorredijk, een plek waar Auke graag jaagt. Temeer omdat de Compagnonsvaart wél open is gebleven voor de scheepvaart.

Het tekent een zeker cultuurverschil, dat Auke ook tegenkomt op de dagen dat hij jaagt voor publiek.

“In zo’n dorp als Schoonoord wonen de mensen veel meer op elkaar. In Friesland zijn de mensen veel meer op zichzelf. Daar is minder toenadering. Ze komen wel kijken, maar de vragen komen makkelijker in het Neder-Saksische gedeelte.”

Maar die Friese stugheid heeft er mooi wel voor gezorgd dat de Opsterlandse Compagnonsvaart als vaarroute behouden is gebleven, terwijl het Oranjekanaal voor de scheepvaart verloren is gegaan.

“De Friezen bewaren hun cultuur-historisch erfgoed gewoon beter,” stelt Auke.

Voorlopig zal de scheepsjager zijn ambacht nog wel even blijven uitoefenen. Daarvoor vindt hij het veel te leuk.

“Ik houd er zulke bijzondere kennissen en vrienden aan over! Allemaal idealisten die wars zijn van regelgeving. Mensen met een bepaalde eigenzinnigheid. We vieren de vrijheid van het leven!”, roept hij enthousiast.

Met zijn officiële scheepsjagersvergunning mag hij ook komend seizoen weer jagen op diverse evenementen, langs de kanalen van Groningen, Drenthe en Friesland.

“Maar ik jaag ook wel elders in het land hoor,” glimlacht hij. Het zij hem vergeven!

Auke Winters zal komende zomer onder meer te zijn op 8 en 9 juni bij Dieverbrug. En onder voorbehoud tijdens de Monumentendagen, op 14 of 15 september in de omgeving van Hasselt.